Zeemonster

Plaat ca. 1544 met verschillende zeemonsters; samengesteld uit de Carta marina.

Historisch werden decoratieve tekeningen van heraldische dolfijnen en zeemonsters vaak gebruikt om kaarten te illustreren, zoals de Carta marina. Deze praktijk stierf uit met de komst van de moderne cartografie. Desondanks zijn verhalen over zeemonsters en ooggetuigenverslagen die beweren deze beesten te hebben gezien tot op de dag van vandaag blijven bestaan.

Zeeslang gemeld door Hans Egede, bisschop van Groenland, in 1734

Zeemonsterverhalen komen voor in vrijwel alle culturen die contact hebben met de zee. Zo verhaalt Avienus over de reis van de Carthaagse ontdekkingsreiziger Himilco: “…daar zwemmen monsters van de diepte, en beesten tussen de traag en traag kruipende schepen.” (regels 117-29 van Ora Maritima). Sir Humphrey Gilbert beweerde op zijn terugreis, nadat hij St. John’s, Newfoundland (1583) formeel voor Engeland had opgeëist, een leeuwachtig monster met “felle ogen” te zijn tegengekomen. Een ander verslag van een ontmoeting met een zeemonster stamt uit juli 1734. Hans Egede, een Dano-Noorse missionaris, rapporteerde dat hij op een reis naar Godthåb op de westkust van Groenland het volgende waarnam:

een verschrikkelijk schepsel, dat op niets leek wat zij eerder hadden gezien. Het monster stak zijn kop zo hoog op dat hij hoger leek dan het kraaiennest op de hoofdmast. Het hoofd was klein en het lichaam kort en gerimpeld. Het onbekende schepsel gebruikte reusachtige vinnen die het door het water voortstuwden. Later zagen de zeelieden ook de staart. Het monster was langer dan ons hele schip.

Ellis (1999) suggereerde dat het Egedese monster een reuzeninktvis zou kunnen zijn geweest.

Er bestaat een Tlingit-legende over een zeemonster met de naam Gunakadeit (Goo-na’-ka-date) dat voorspoed en geluk bracht aan een dorp in crisis, mensen die verhongerden in het huis dat ze voor zichzelf hadden gemaakt aan de zuidoostkust van Alaska.

Andere berichten zijn bekend uit de Stille, Indische en Zuidelijke Oceaan (zie bijv. Heuvelmans 1968). Sommige hypotheses suggereren dat de hedendaagse monsters overlevende exemplaren zijn van reusachtige zeereptielen, zoals een ichthyosaurus of plesiosaurus, uit het Jura en het Krijt, of uitgestorven walvissen zoals Basilosaurus. Scheepsschade door tropische cyclonen zoals orkanen of tyfonen kan ook een andere mogelijke oorsprong van zeemonsters zijn.

In 1892 zag Anthonie Cornelis Oudemans, toenmalig directeur van de Koninklijke Zoölogische Tuinen te Den Haag, de publicatie van zijn De Grote Zeeslang, waarin werd gesuggereerd dat veel meldingen van zeeslangen het best te verklaren waren als een tot dan toe onbekend reusachtig, langnekig vinpotig dier.

Het is waarschijnlijk dat veel andere meldingen van zeemonsters bestaan uit verkeerd geïnterpreteerde waarnemingen van karkassen van haaien en walvissen (zie onder), drijvend kelp, boomstammen of ander drijfhout, zoals verlaten vlotten, kano’s en visnetten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *